(Alfabetische volgorde)

Adieu

Je bént niet dood – de Heer heeft je geroepen
bij Hem te wonen in zijn glanzend huis.
Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken,
je hebt ze nu – want je bent veilig thuis.

Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven,
je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en van verdriet. God zal je geven
een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.

Je bent niet dood – maar ach, ik zal je missen
zoals een mens de meest geliefde mist.
De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,
en ik geloof: God heeft zich niet vergist…

Nel Benschop
(Uit: De stem uit de wolk, Kok, Kampen 1977)

 

Afscheid nemen

Afscheid nemen
is met zachte vingers
wat voorbij is, dichtdoen
en verpakken
in goede gedachten der herinnering…

Is verwijlen
bij een brok leven
en stilstaan
op de pieken
van pijn en vreugde…

Afscheid nemen
is met dankbare handen
weemoedig meedragen
al wat waard is
om niet te vergeten…

Afscheid nemen
is heel moeilijk
en
men leert het
nooit…

Ward Bruyninckx

 

Als herfstblad

Mensenleven:
teer als herfstblad is het
en gebroken valt het ter aarde,
uitgeleefd, uitgeteerd,
te veel doorstaan aan de hitte van de zon
de stormen in de nacht.
Het moet wel vallen, zo’n blad,
zo’n mensenleven.
Maar is het daarmee voorbij?
Wordt daarna
een naam vergeten,
een leven overgeleverd aan de vergetelheid?

Als een luttel blad
gevallen van een boom,
groeikracht kan zijn
voor nieuwe planten, nieuwe bloemen,
hoeveel te meer mag dan
het leven geleefd door jullie …,
nieuwe impuls geven
aan jullie door-leven.

Vanaf nu verrijkt
met zoveel goeds
dat door haar/hem
is doorgegeven
in haar/zijn leven.

Gerard Oostveen
(Uit: Yvonne van Emmerik, Mientje Luiken en Gerard Oostveen,
Zaaien in Tranen, Dabar, Aalsmeer 1995, blz. 76)

 

Als het regent

ik denk
als het regent
laat ze niet nat worden
en als het stormt
vat ze geen kou

en ik denk ook
dat dat denken
niet helpt

want je wordt nooit meer
nat noch vat je kou

want het regent
noch waait ooit
meer voor jou

Bert Schierbeek
(Uit: De Deur, Bert Bakker, Amsterdam 1973)

 

Als leven reizen is

Als leven reizen is
zijn wij allemaal reisgenoten
en vinden elkaar
toevallig, gezocht, gewenst,
onderweg, op doortocht.

We ervaren
dat je gekomen bent
en weer moet gaan.

Wij weten toch dat,
wanneer ons lichaam sterft
en onze reis ten einde lijkt,
God ons blijvend
onderdak verleent.

(Bron onbekend)

 

Buitengewoon

Zal het ooit wennen,
jouw stem niet meer te horen?
Zoveel hadden wij elkaar nog te vertellen.
Zoveel wou ik je nog vragen.
Het antwoord heet nu stilte.

Zal het ooit wennen,
jouw gezelschap te missen?
Zo leeg die plaats aan tafel.
Zozeer mis ik die gulle lach.
De wijn smaakt nu niet meer.

Zal het ooit wennen,
jouw warmte niet meer te voelen?
Zo geruststellend, jouw levensadem.
Zoveel wou ik nog van je houden.
Nu is er alleen nog die kilte.

Zal het ooit wennen,
jouw naam niet meer te noemen?
Zo teder als een kreet.
Zo wou ik je nog roepen.
Jouw naam klinkt nu als een echo.

Het zal wel wennen,
zeggen mensen; de tijd heelt,
zeggen zij goedbedoeld.
Maar ik wil niet vergeten,
ik wil het niet gewoon worden.
Jij was onvergetelijk,
buitengewoon.

Jan-Frans Lindemans.
(Uit: Laat niet verloren gaan, Brussel 2001, blz. 54)

 

De brug

Breng jij mij op weg tot aan de brug.
Ik ben zo bang om daar alleen te staan.
Als wij daar zijn, ga niet direct terug,
maar wacht, totdat ik over ga,
en zwaai me na,
dan voel ik mij veilig en vertrouwd.

Breng jij me weg tot aan de brug.
Ik heb geen idee hoe diep het water is.
De overkant lijkt mij zo ver,
je kunt de oever hier niet zien;
zover het oog reikt, zie ik mist.
Ik twijfel aan het verder gaan.

Je angst voor de dood
is als de angst voor het leven.
Het nieuwe lijkt te groot
om het oude op te geven.
In de diepte van je verlangen
ligt de kennis van het nieuwe leven.
Zoals de vlinder al weet
van vliegen in zijn donkere cocon.

Breng jij mij weg tot aan de brug
en ga dan niet te vlug terug.
Zwaai jij me na, als ik erover ga.
Een klein duwtje in mijn rug
is alles wat ik nog verlang van jou.
Ik ga nu gauw,
want het begin is reeds in zicht,
ik voel de warmte van het Licht.

Toine Lacet

 

De dood

De dood is niets.
Ik ben maar aan de andere kant.
Ik ben mezelf, jij bent jezelf.
Wat we waren voor elkaar
zijn we nog altijd.
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt.
Spreek tegen mij zoals weleer,
op dezelfde toon,
niet plechtig, niet triest.
Lach zoals we altijd lachten
om de kleine, deugddoende dingen.
Speel, glimlach, denk aan mij.
Bid voor mij.
Spreek mijn naam uit thuis
zoals je altijd gedaan hebt,
zonder een zweem van wanhoop erin.
Het leven is wat het altijd geweest is,
de draad is niet gebroken.
Waarom zou ik uit je gedachten verdwijnen,
nu je me niet meer ziet?
Ik wacht op je. Ik ben dichtbij,
slechts aan de andere kant van de weg.
Zie je, alles is goed.
Je zult mijn hart opnieuw ontdekken
en er de tederheid van terugvinden,
zuiverder dan ooit.
Dus, droog je tranen
en blijf niet wenen als je van me houdt.

Augustinus
(Uit: Laat niet verloren gaan, werkboek voor uitvaartliturgie, Brussel 2001, blz. 17)

 

De dood heeft vele gezichten

De dood heeft vele gezichten.
Een voor haar die sterft
en een voor elk van ons die achterblijven.
Er is een harde, wrede dood,
die leegte achterlaat en pijn en tranen.
Er is een milde dood
die barmhartig is en goed.
Maar altijd is de dood,
barmhartig, wreed of mild,
voor haar die sterft
en voor elk van ons die achterblijven
’n breekpunt, ’n keerpunt soms.

(Auteur onbekend)

 

De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren,
wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met z’n tweeën te staan.

Ida Gerhardt
(Uit: Verzamelde gedichten, Athenaeum, Amsterdam 1980)

 

De man met de zeven vogels

Er was eens een man die zeven vogels had, de allermooiste kanaries: goudgeel en oker van kleur. En de een zong nog mooier dan de ander. Elke ochtend zongen ze voor de man.

Maar op een kwade dag kwam een harde windvlaag door het geopende raam. Een van de kooien viel om en brak. De vogel vloog verschrikt door het open raam naar buiten.

De man was diep bedroefd want hij hield van vogels alsof het zijn kinderenwaren. De achtergebleven dieren treurden om het verlies van hun beste vriend. Ze zongen niet meer en het werd stil in de kamer. De ramen bleven angstvallig dicht en de dagen gingen voorbij.

Tot op een dag de zon naar binnen scheen. Eindelijk durfde de man het raam weer open te doen. Daar hoorden zij een lied, van een vogel aan het raam, het was hun eigen vriend. Zij zagen het beestje niet maar ze hoorden hem wel. Uit volle borst zong hij, mooier dan ooit tevoren. Mooier dan wie dan ook.

“Wees niet bedroefd,” zong hij “ik ben gelukkig. Ik kan hoger vliegen dan de hoogste boom en verder dan het verste bos, ik drijf op de wind tot boven in de wolken, tot dicht bij de zon; niet meer gebonden niet meer gekooid!” Hij jubelde aan hun raam, aan traliën voorbij, over wat hij in zijn vlucht voor hen al had gezien:
“Ik vlieg,” zei de vogel: “in het mooiste licht wat er is, zo mooi, zo mooi, maar vraag me niet hoe; zo mooi kan ik niet zingen.”

Naar een verhaal van Yvonne van Emmerik.

 

De mensen van voorbij

De mensen van voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij

Hanna Lam
(Uit: Met andere woorden, Nijgh & van Ditmar, 1987)

 

De parabel van de panfluit

Er was eens een boom, een onbekende boom, ergens langs de waterkant, geplant door, niemand weet nog wie. Hij leefde daar, breeduit met vele takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht. ’s Winters was het leven kaal en zwiepend op de harde wind, en met twijgen als toegeklemde vuisten, vol nieuwe beloften stond hij daar te wachten tot het lente werd. Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon en dan kwam hij weer toe aan zijn oude groene uitbundigheid: zijn takken liepen weer uit en schoten bloesem uit ingehouden leven. Het was een lust voor het oog. En als dan de zomer kwam, maakte hij een donkere hand, gevuld met schaduw, gratis voor iedereen, en soms een paraplu tegen de stromende regen. Zo leefde die boom met al zijn takken, jaar in jaar uit, zijn krachten verbergend en weer uitplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen.

Maar op zekere dag, kwam er een mens, een man, gewapend met een mes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste takken werden afgesneden en meegenomen naar het huis van die mens. Een dode tak, voorgoed uit het leven weggesneden, weggevallen uit de schaduw van velen, opvallend en straks natuurlijk stomweg vergeten, wat is een tak over een hele boom?

Drie dagen later was die man opeens weer terug en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken. Wie treft vandaag het bittere lot? Maar kijk de man ging zitten aan de voet van de boom en…. hij blies op de afgesneden tak die hij zijn panfluit noemde. Hij speelde een lied en de boom verstond het zo: Horen jullie mij? Ik leef, ik leef. Meer dan ooit tevoren. Ik leef, ik zing, ik fluit.

(Bron onbekend)

 

De prinses

Er was eens een prinses, die leefde op een ster. Zij voelde zich er vreselijk alleen, en daarom ging zij naar de aarde om vrienden te zoeken. Toen zij op aarde was gekomen, ontmoette zij een hond.
‘Hallo’, zei de kleine prinses, ‘wil jij mijn vriendje zijn?’
‘Ja, dat wil ik wel’, zei de hond, ‘maar dat gaat zo maar niet: dan moeten we eerst heel lang samen spelen en eten en spelletjes doen en samen ruzie maken…’ En zo deden ze. Ze kwamen heel vaak bij elkaar en werden echte vriendjes.
Toen kwam de dag dat de kleine prinses weer terug moest naar haar ster.
‘O’, zei de hond, ‘ik moet huilen dat je weggaat.’
‘Het is je eigen schuld’, zei de kleine prinses: ‘jij wou dat we vriendjes zouden worden’.
‘Ja zeker’, zei de hond.
‘En nu moet je huilen!’
‘Ja zeker’ zei de hond.
‘Dus dan heb je er niets aan, aan dat vriendjes worden’.
‘Ja zeker’ zei de hond: ‘Vroeger vond ik zand een lelijke kleur, maar als ik voortaan naar zand kijk zal ik aan jouw blonde haren denken. En dat geeft me een fijn gevoel. Bij alles zal ik steeds aan jou kunnen denken,en dan zal ik me beter voelen. En als ik je erg mis, en erom moet huilen, dan kijk ik naar de sterren. En dan zie ik je toch: met mijn hart. Want weet je, eigenlijk kun je nog het beste zien met je hart’.
En zo is het ook met ….: je ziet haar/hem niet meer met je ogen, maar je ziet haar/hem met je hart, omdat je van alles met haar/hem samen hebt gedaan. En dat zal je een goed gevoel geven, al moet je erom huilen dat je niet meer met haar kan spelen.

(Bewerking van de Kleine Prins van A. de Saint-Exupery)

 

De steen

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier houd je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.
Misschien eens gevuld door sneeuw en regen.
Neemt de rivier mijn kiezel met zich mee.
Om hem dan glad en rond geslepen.
Te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten..
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat door het verleggen van die éne steen.
De stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Bram Vermeulen.
(Van het album Voltooid verleden tijd, 2001)

 

Een witte roos

Adem houdt op,
warmte wordt kilte,
diepe kilte als van dood
en lachen wordt stilte,
echo van vragen
dat geen antwoord vindt.
Maar een mensennaam kan niet vergaan,
niet verzinken in oneindig niets.
Jouw naam heeft klank en toon gezet
van hoe de jouwen verder gaan.
In gemis, maar ook in vertrouwen
dat leven léven wordt,
gevochten en geknokt,
geliefd en gelachen.
Zo wordt jouw naam
een witte roos aan ons hart,
bloeiend voor altijd,
geurig en welriekend,
maar ook doornig stekend,
want jij bent er niet
als wij jou roepen;
en ons zoeken zal nooit vinden worden,
geen samen lachen en geen raken meer.
Maar in de stilte zul jij bloeien aan ons hart
als schitterende herinnering,
levend, tegen alle weerwil in.
Neen, vergeten zullen wij jou niet.
Wees gerust,
rust maar zacht,
rust in vrede.

Gerard Oostveen
(Uit: Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 75)

 

Er is geen begrijpen

Er is geen begrijpen en aanvaarden is moeilijk.
Er zijn geen woorden en ons voelen doet pijn.

Er is alleen het weten dat zijn naam
in de palm van Gods hand geschreven staat.

Guido Gezelle.

 

Er moet iemand zijn

Van de ene minuut op de andere
ben je er niet meer
weggerukt, weggedragen
nooit meer te roepen
nooit meer te zien.
Van de ene minuut op de andere
bestaan we niet meer
uiteengeslagen
doorgesneden
nooit meer een groeten
nooit meer ons lieven.
Van de ene minuut op de andere
alleen nog herinnering
vervagend
verleden
nooit meer mijn zorgen
niets meer te geven.

Wie zal jou koesteren?
Wie zal jou wiegen,
wie zal jou helen,
jouw toevlucht zijn,
nu ik hier blijf staan
met handen vol pijn?

Er moet Iemand zijn
groter dan ons leven
die mijn handen,
jouw thuis wil zijn.

Yvonne van Emmerik
(Uit: Zaaien in Tranen, Dabar, Aalsmeer 1995, blz. 26)

 

Gebed

Ik vraag U niet:
behoed mijn leven tegen elk gevaar.
Ik vraag U wel:
geef mij uw rust wanneer het plots verschijnt.

Bij verdriet: aanvaarding.
Bij zwakte: geduld.
Bij tegenstand: berusting.

Ik vraag U niet:
draagt U mijn leven vol gevaren.
Ik vraag U wel:
geef mij de weelde van uw kracht.

Bij verdriet: sterkte.
Bij zwakte: kracht.
Bij tegenstand: weerbaarheid.

In voorspoed,
laat mij U nederig erkennen
en gedenken als bron van mijn vreugde.

In tegenspoed,
laat mij geloven dat U,
ook dan, mijn enige toevlucht blijft.

Rabradinath Tagore
(Uit: Gitanjali Naar een nieuwe dageraad, Lannoo, Tielt 1999, blz. 11)

 

Geboorte en dood

Geboorte is:
een kind maakt zich los,
uit de veilige holte van de moederschoot,
het maakt zich vrij om zelf mens te worden,
kome wat komt.
Pijn kan het baren doen,
golven pijn het loslaten van dat stuk van jezelf
dat een nieuwe mens wordt
– de uittocht van een kind.
Wennen moet een kind aan het geluid in de oren,
aan de kou van de lucht,
het licht in de ogen.

Misschien is zo de dood:
een mens maakt zich los uit het warme leven,
en dringt zich een weg naar het onbekende, buiten,
kome wat komt.
Pijn doet het afscheid, loslaten van een mens
die je lief is geworden
die een stuk van jezelf was –
de uittocht van een geliefde.
Misschien is zo de dood:
de gang waardoor wij ons dringen,
naar vrijheid, nieuw leven,
naar het licht toe,
kome wat komt.

(Onbekende auteur)

 

Het valt niet te begrijpen

Het is nog niet te begrijpen:
je stem niet meer te zullen horen,
jou niet meer naast me te vinden
bij ’t wakker worden,
je gezicht niet meer te zullen zien.
Het is nog niet te begrijpen:
als anderen al weer doorleven,
als bijna niemand nog je naam noemt,
zal ik jouw stem nog horen in mij,
zal ik naar je verlangen
bij ’t wakker worden van mijn verdriet.
Het is nog niet te begrijpen:
afscheid van jou te moeten nemen,
het klinkt zo koud en onherroepelijk,
je zult altijd bij mij blijven.

Ik zal mijn verdriet niet koesteren,
maar jou ’n warme plek blijven geven
diep in mij.

Jij was mijn geborgenheid
mijn tegenwicht
de intens levende
de storm soms
maar ook de luwte
geleefd heb je
tot het einde toe

en je leeft nog…

(Onbekende auteur)

 

Hij was zichzelf niet meer

Hij was allang zichzelf niet meer
hij kon het niet meer aan
we hoopten, zittend rond zijn bed
dat hij rustig heen zou gaan
En na zijn laatste zucht was het
of hij zichzelf hervond
alsof hij op de drempel
van een ander leven stond
Ik ben even blijven kijken
ben even blijven staan
en voelde iets van een wonder
door de stille kamer gaan

(Bron onbekend)

 

Hoe is het mogelijk?

Hoe is het mogelijk
dat een bloem breekt in de knop
dat een ster wordt gedoofd
dat een bron verdroogt
nog voor zij een stroom wordt?

Hoe is het mogelijk
dat een twijgje breekt
dat een jong uit het nest valt
dat de avond valt
voor de dag begonnen is?

Hoe is het mogelijk
dat er kinderen sterven
nog vóór zij uitgroeien?
En toch gebeurt het.

Hoe is het Gods Naam mogelijk?

Ach, het is Gods-on-mogelijk.
Had God niet willen leven
in alles en allen
huilt God niet mee
door onze ogen?

Yvonne van Emmerik
(Uit: Yvonne van Emmerik, Mientje Luiken en Gerard Oostveen,
Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 108)

 

Ik ben van de aarde

Ik ben van de aarde.
Zij is mijn moeder
zij baarde mij vol trots
zij voedde mij op met liefde
zij wiegde mij bij zonsondergang
zij bracht de wind naar mij toe
en liet hem zingen
zij bouwde voor mij een huis
van harmonieuze kleuren
zij voedde mij met de vruchten van haar velden
zij beloonde mij met de herinnering
aan haar glimlach
zij bestrafte mij met het verglijden van de tijd.
En op het einde
als ik ernaar verlang
weg te gaan
zal zij mij omarmen
in alle eeuwigheid.

Anna L. Walters (Pawnee-Otoe indiaanse)

 

In blind vertrouwen

(Henri Nouwen reisde eens met de Zuid Afrikaanse trapeze-groep “Flying Rodlighs” Op een dag zat hij met Rodligh, de leider van de trapezegroep, in zijn caravan vlakbij de circustent te praten over het trapezewerk.)

Rodligh zei: “Als ik boven aan de trapeze spring, moet ik absoluut vertrouwen op degene die mij moet vangen.
Jij denkt misschien, net als de meeste toeschouwers,
dat ik de grote ster van de trapeze ben.
Maar de echte ster is Joe, die mij vangt.
Hij moet mij op het exacte moment uit de lucht plukken,
als ik mijn verre sprong naar hem maak.”
“Hoe lukt je dat?” vroeg Henry Nouwen .
“Wel,” zei Rodleigh ” het geheim is dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe.
Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij mij vangt en veilig thuis brengt.”
“Jij doet dus niets!” zei ik verbaasd.
“Niets” herhaalde Rodleigh.
“Het domste wat een springer kan doen is proberen de vanger te vangen. Ik vang Joe niet; Joe vangt mij.
Andersom zou het einde van beiden betekenen.
De springer springt en de vanger vangt. Met zijn handen uitgestrekt en handen open, vertrouwt de springer er voluit op dat de vanger er zal zijn.”

Henri Nouwen.
(Uit J. Beumer, Onrustig zoeken naar God. Geciteerd in: Peer Verhoeven, Rondom de Beker, Abdij van Berne, Heeswijk 1999, blz.15)

 

In het zand geschreven


terwijl jij weg bent
en ons enkel leegte laat,
vermoeden wij onverwoord
dat je nog steeds bestaat
dat wij je nog horen
en met je kunnen spreken
want alle liefde die er was
kan zelfs de dood niet breken.

Wij hebben jouw naam in het zand geschreven
maar de golven hebben die uitgeveegd.
Wij hebben jouw naam in een boom gekerfd,
maar de schors is afgevallen.
Wij hebben jouw naam in het marmer gegrift,
maar de steen is gebroken.
Wij hebben jouw naam in ons hart geborgen,
en de tijd zal die bewaren.

…,
hier, gaat jouw licht uit
en schijnt niet meer.
Nu ben jij geborgen
en blijft beschermd in het grote Licht.

(auteur onbekend)

 

Joods gebed

In het opgaan van de zon en in haar dalen
gedenken wij hen.
In het spelen van de wind en de kilte van de winter
gedenken wij hen.
In het openspringen van de knoppen en in de wedergeboorte van de lente
gedenken wij hen.
In het azuur van de lucht en in de warmte van de zomer
gedenken wij hen.
In het ruisen van de bomen en in de schoonheid van de herfst
gedenken wij hen.
Wanneer wij vermoeid zijn en behoefte hebben aan sterkte
gedenken wij hen.
Wanneer wij verlaten zijn en ziek van hart
gedenken wij hen.
Wanneer wij vreugde voelen die we willen delen
gedenken wij hen.

Zolang wij leven,
zullen ook zij leven.
Want zij zijn nu een stuk van onszelf,
als wij hen gedenken.
Amen.

 

Laatste gedicht

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,
nu het met mijn leven bijna is gedaan,
de scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan
dan in de ruimte en zo is dat wel

de makkelijkste manier om wat te zeggen),
hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

het onverhoeds onnoemelijke begint?
Of is het dat jíj me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

Hans Andreus.
(Uit: Verzamelde Gedichten, Uitgeverij Bert Bakker,
Amsterdam 1984, blz. 965)

 

Lieve handen

We hebben elkaar stevig vastgehouden
toen nog, het afscheid nabij
handen …. lieve bezige handen
en ze liggen nu stil, zo stil ….

Je zei vaak
‘Kijk dat moet je zo doen’
het ritme van gouden handen als het slaan van je hart
glijdend over duizenden meters textiel.

Andere handen, wijze handen
soms boze handen …. spelende handen
wiegende, strelende handen
lieve lieve liefste moederhanden.

Marlies Kruf
(bij het afscheid van haar moeder)

 

Mamma

Mamma is het woord
waar het leven mee begint
mamma is het woord
dat hoort bij ieder kind

een woord om zacht te zeggen
niet om luid te schreeuwen
het hoeft niets uit te leggen
en gaat door alle eeuwen

mamma is het woord
waar de mensheid mee begint
mamma is een ander woord
voor liefste

Toon Hermans

 

Mijn man

Ik ben nooit meer
naar zijn graf gegaan.
Is dat schande? Nee.
Ik voel het anders aan.

Ik weet zeker
dat ik hem niet vind
op dat kerkhof daar,
in de koude wind.

Maar wel voel ik
zijn aanwezigheid
waar we samen waren
in die oude tijd.

Dikwijls is het
of hij naast me gaat.
Of ‘k hem spreken kan,
vragen kan om raad.

‘k Vind dat hij het
dichtste bij me is,
als ik troost behoef
in mijn droefenis.

Maar is een dag eens
mooi en goed geweest,
juist dán mis ik hem,
mis ik hem het meest.

Willem Wilmink

 

Niet eerlijk

Het is niet eerlijk,
want wij weten niet
wie het heeft uitgedacht
dat jij moest sterven.

Het is niet eerlijk,
want jou is niet gevraagd
of je wel wilde
of je ’t wel mooi genoeg vond, zo.

Het is niet eerlijk,
want anderen wachten op de dood
en jou overkwam ongevraagd
dit onvoorstelbare sterven.

Het is niet eerlijk,
want ongevraagd en ongewild
doe jij ons nu pijn
door voorgoed uit ons midden weg te zijn.

Gerard Oostveen
(Uit: Yvonne van Emmerik, Mientje Luiken en Gerard Oostveen,
Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 25)

 

Niet het laatste

De doodsklok luidde
over het dorp dat zweeg
– traag het geluid van voeten
achter de trage wagen
waarop de kist van de dode
ervoor het knikkende paard

het hart van het dorp lag open
de plaats die al zoveel namen bewaarde
de klok verstomde
de dode daalde
aarde tot aarde

maar er zingen steeg
en hield bevend staande
het is niet voorgoed
het is niet het laaste

Inge Lievaart

 

Niets zal ooit nog hetzelfde zijn

Het is absurd,
het is onaanvaardbaar
dat zo weinig, één fataal moment,
een einde maakte
aan zo’n veelbelovend jong leven.
Ineens is de wereld koud en leeg
en niets zal ooit nog hetzelfde zijn
nu hij er niet meer is.

Het is alsof we allemaal een beetje sterven,
alsof op dit moment ook ons leven stokt.
We kunnen niet en wíllen ook niet vooruit,
want morgen is één groot, donker gat.
Het liefst zouden we teruggaan naar gisteren
toen alles nog goed was,
maar gisteren is voorbij, een droom voor altijd.
Als we uit die droom ontwaken,
zal hij er niet meer zijn
en blijkt het leven zelf een nachtmerrie geworden.

Alles in ons schreeuwt uit protest
tegen het zinloze van deze dood.
We kunnen niet en willen niet,
maar we moeten hem loslaten voor altijd.
Het onherroepelijke van dat moment is nu gekomen,
nu we hier bijeen zijn
om elkaar daarin nabij te zijn.

Mientje Luiken
(Uit: Yvonne van Emmerik, Mientje Luiken en Gerard Oostveen,
Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 17)

 

Soms

Soms als ik ’s nachts een aanwaaiend geluid hoor
dat me verschikt, denk ik opeens:
er waren nachten dat ik werkelijk verwachtte
dat je kon komen, dat ik het licht aanliet,
de deur van slot, iets lekkers op de tafel.
Langzaam is dat gesleten. Voetstappen tegen vier
uur ’s morgens deden niet meer hopen,
de deur ging weer op ’t nachtslot en de post,
wat bracht de post. En zo hernam het leven
zijn rechten zonder jou. Het lijkt van geen belang
dit te vertellen: ieder kent het.
Maar soms, ’s nachts, bij een zuidelijk geluid
valt er een gat in de tijd en daar het dan
opeens zou kunnen zijn dat jij verscheen
moet dit moment worden bezworen.

Hans Warren
(Uit: Tijd. Amsterdam, Bert Bakker, 1986, pag. 21)

 

Sterfbed

Mijn vader sterft: als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

Jean Pierre Rawie
(Uit: Wij volgen een voor een hetzelfde pad,
Bert Bakker, Amsterdam 2003, blz. 38)

 

Sterven doe je niet ineens

Ik heb er nooit aan gedacht
dat ik dood zou gaan
Daar had ik het te druk voor
Maar nu ik het toch ben
zou ik willen zeggen:
Ik vond het hartstikke fijn
Ik had graag nog langer met jullie
mee willen doen.

Sterven doe je niet ineens
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je stierf,
het is vreemd, maar dat vergeet je.
Het is je dikwijls zelfs ontgaan
je zegt: Ik ben wat moe
Tot God je roept, bij ons vandaan,
heel vredig naar zich toe.

(Bron onbekend)

 

Testament

En als ik doodga, huil maar niet.
Ik ga niet echt dood, moet je weten.
Het is de heimwee die ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten.

En als ik doodga, treur maar niet.
Ik ben niet echt weg, moet je weten.
Het is de heimwee die ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij mij bent vergeten.

En als ik doodga, huil maar niet.
Ik ben niet echt dood, moet je weten.
’t Is het verlangen dat ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij dat bent vergeten.

Dood ben ik pas,
als jij mij bent vergeten.

Bram Vermeulen
(Uit de theaterproductie Vriend en Vijand, 1990)

 

Voetstappen

Ik droomde eens en zie,
ik liep aan het strand bij lage tij.
Ik was daar niet alleen
want ook God liep aan mij zij.

We liepen samen het leven door
en lieten in het zand
een spoor van stappen, twee aan twee.
God liep aan mijn hand.

Ik stopte en keek achter mij
en zag mijn levensloop
en tijden van geluk en vreugd,
van smart en hoop.

Maar als ik goed het spoor bekeek,
zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was
maar één paar stappen staan…

Ik zei toen: “God waarom dan toch?
Juist toen ik U nodig had;
juist toen ik zelf geen uitkomst zag
op het zwaarste deel van het pad…”

God keek toen vol liefde mij aan
en antwoordde op mijn vragen:
“Mijn lieve kind, toen het moeilijk was,
toen heb ik jou gedragen!”

Mary Stevenson
(Uit het Amerikaans vertaald door Jeanine De Beleyr)

 

Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man,
alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

Hans Andreus
(Uit: Verzamelde Gedichten,
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1984, blz. 489)

 

Voor een gestorvene

Je ben een verre vogel nu
en trekt naar lichter oorden.
Ik gaf je graag nog zoveel mee
maar vind bijna geen woorden.

Ik dool over het land dat jij verliet.
In de vijver wuift het riet en
alle bloemen bloeien om niet –
mijn God, zeg me dat jij ze ziet.

Je lichaam heb ik aan de aarde moeten geven.
Toch is het soms alsof je naast me staat
en met me door het huis en langs het tuinpad gaat.
Alsof je niet vertrok, maar anders bent gebleven.

Maar ’s avonds op het erf, onder de kastanje,
vind ik geen spoor van je en mis ik je
weer mateloos, tenzij ik naar de sterren kijk
en met mijn hart tot in de hemel reik.

Hein Stufkens
(Uit: Waarvoor ik dien, gebeden en gedichten,
Dabar-Luyten, Heeswijk 1999, blz. 50)

 

Voor een vriend

Als straks het rouwrumoer om jou is verstomd,
de stoet voorbij is, de schuifelende voeten,
dan voel ik dat er een diepe stilte komt,
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten,
en telkens weer zal ik je tegenkomen.
We zeggen veel te gauw: Het is voorbij.
Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,
niet wat je was, en ook niet wat je zei.
Ik zal nog altijd grapjes met je maken. (met je praten)
We zullen samen door het stille landschap gaan;
nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,
raak je mijn hart nog duidelijker aan.

Toon Hermans
(Uit: Fluiten naar de overkant, Elsevier, Amsterdam 1979)

 

Voortaan

Misschien moet ik voortaan
met lege plekken leren leven.
Of zal ik in de kamers
van mijn ziel
de ramen openhouden.
En het licht steeds aan.
Want ergens in mij
woon je, spreek je,
lach je, zing je, wacht je.
Niets of niemand
die je daar ooit
weg zal kunnen halen.

Kris Gelaude
(Uit: Zonder woorden kan je niet,
Uitgeverij Averbode, 2016)

 

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren.Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

Rutger Kopland

 

Wiegelied voor de dode

In paradisum deducant te angeli:
de engelen,
zij mogen jou begeleiden naar het paradijs.

Onze vaders en moeders zongen het
als een wiegelied voor hun doden
Kon ik hun lied nog maar zingen
mijn lied is een schamele bede

Wat hoop ik vurig
dat jij niet alleen zult zijn
aan de andere kant
waar wij niet kunnen komen
Wat hoop ik vurig
dat engelen bestaan
en jou opvangen
zoals koesterende moeders
hun pasgeboren kind
Wat hoop ik vurig
dat zij je naar het land zullen dragen
van onze mensendromen,
dat daar de anderen zijn
die ons zijn voorgegaan;
de geliefden, de vaders, de moeders.
Wat hoop ik vurig
dat jij daar wordt bemind,
dat je ginds rust zult vinden
geluk en licht en liefde,
een stralend nieuw begin.

Yvonne van Emmerik
(Uit: Zaaien in Tranen, Aalsmeer 1995, blz. 93)

 

Ze kunnen niet weten

Toen jij stierf
is de wereld gewoon doorgegaan
met draaien.
Het werd nacht en ook weer morgen.
Er was lawaai en stilte
en ook om ons heen
maakte het leven – van – alledag
evenveel lawaai als anders.
Alleen, bij ons kwam dat
harder aan dan normaal.
Wat deed het pijn
te zien en te horen
dat alles gewoon doorging
toen jij gestorven was.
Wreed en onverschillig,
genadeloos en onbarmhartig was het
en elke indruk stak dieper,
deed meer pijn.
Neen, ze kunnen niet weten
wat wij nu voelen:
die steken pijn
van afgesneden-zijn
en nooit meer samen…
Ach, niets zal meer hetzelfde zijn
zonder jou.

Gerard Oostveen.
(Uit: Yvonne van Emmerik, Mientje Luiken en Gerard Oostveen,
Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 22)

 

Ze waren vriendjes

Altijd zochten ze elkaar,
de opa en het kleine kind
en als de een de ander zag
was er die stralende blijde lach
van wederzijds vertrouwen.
Ze konden elkaar niet missen
de opa en zijn kleine vriend
ze deden alles samen
en waar de opa ging
ging ook het kind
in blij vertrouwen.

Tot op een dag
het kind zijn opa niet meer zag
Vol onbegrip bleef het
in troosteloos verwachten.
De stralende lach in zijn ogen verdween
zijn leven vergrauwde
het kleine kind rouwde
zijn opa liet hem alleen.

Nu zijn ze weer samen
de opa en het kleine kind.
Ook de jongen is heengegaan
naar waar zijn opa reeds op hem wachtte.
Nu stralen zijn ogen weer
als hij zijn oude vriend ontmoet.
Ze hebben elkaar weer opgezocht,
want ze kunnen elkaar niet missen.

Bewerkt naar Mientje Luijken
(Uit: Zaaien in Tranen, Dabar-Luyten, Aalsmeer 1995, blz. 110)

 

Zonder jou

De wereld is wonderlijk leeg zonder jou
Er staat maar zo weinig meer in
De hemel is aldoor zo hinderlijk blauw
Waarom? Wat heeft het voor zin?
De merel zit zachtjes te zingen in ’t groen
Voor mij hoeft ie niet zo z’n best te doen
De wereld kon vol van geluk zijn,
maar nou: leeg, zonder jou.

Dat zonder jou nog een lente bestaat
met ooievaars en met bloemen,
dat er een meidoorn in bruidstooi staat,
is zonder meer tactloos te noemen
En wat is het nut van een lindelaan,
als wij er samen niet langs kunnen gaan?
Langs alle heggetjes bloeit wilde roos
nutteloos, zinneloos.

De wereld is wonderlijk leeg zonder jou
Er staat maar zo weinig meer in
De hemel is aldoor zo hinderlijk blauw
Waarom? Wat heeft het voor zin?
De merel zit zachtjes te zingen in ’t groen
Voor mij hoeft ie heus zo z’n best niet te doen
De wereld kon vol van geluk zijn,
maar nou: leeg zonder jou.

Annie M.G. Schmidt

Print Friendly, PDF & Email