Palmpasen

Het is Palmpasen en ik zie de bomen,
De palmen weer met kinderogen aan:
Hun blaadren die als vogelveren stromen
En in de top der stam gestoken staan.

En alles is bereid Hem te ontvangen,
En de verwachting vlamt op elk gelaat:
De kreupelen die aan hun krukken hangen,
De honden en de blinden van de straat.

Er draaft een ezeltje met rechte oren
Als aan de witte klasmuur van mijn jeugd;
Al heeft het Jezus van zijn rug verloren,
Ik zie Hem in mijn kinderlijke vreugd,
En zachtjens juicht het kind in mij verblijd:
Hosannah die de Zoon van David zijt.

Bertus Aafjes
Uit: Het koningsgraf, Amsterdam 1948.

 

Palmpasen

God kent het hart van de mens,
hoe het warm wordt van vreugde
als er applaus komt
hoe het krimpt van pijn
als er kritiek komt.

Laten wij niet ijdel worden en verwaand
als we applaus krijgen.
Laten we niet bitter en ongenietbaar worden
als we kritiek krijgen.

Maar nemen we een palmtak in de hand
om te juichen bij al wat goed is
in uw schepping en in uw mensen.
Om te juichen en U God te danken.

Een palmtak ook om bij het kruis te steken
om wanneer we verdriet en zorgen hebben
te blijven vasthouden aan ons geloof
en te belijden:
van U is de tijd, aan U is alle leven.

Print Friendly, PDF & Email