Witte Donderdag

De eerde droomt, de biezen leken
van den vroegen morgenbrand,
die, in ’t oosten opgesteken,
bijt in ’t baardig weideland.
Grauw is ’t over nacht gevrozen;
over dag, van ’s morgens vroeg,
viert en vonkt het zonneblozen
fel, maar nog niet fel genoeg,
om het koele graf te ontsluiten,
waarin ’t zaad geborgen ligt,
wachtende, om opnieuw te spruiten,
lente, naar uw zonnelicht.

Guido Gezelle
(Moorsele, 25/2/1891)
Uitleg: opgesteken = opgestoken | baardig = stoppelig
viert = schittert vurig | spruiten = opschieten

 

Witte Donderdag

Op die avond wilde hij hen alles
nog eens voor het laatst heel duidelijk zeggen.
Dat ze hun leven moesten geven aan elkaar
en aan wie dan ook,
zichzelf uitdelen, zoals je brood uitdeelt.
Hij zei: “Ik zal het jullie voordoen, kijk goed:
zoals ik dit brood uitdeel,
zo wil ik alle kracht die in mij is, uitdelen,
zo wil ik dit lichaam van me waarin ik leef
en alles wat ik ben, weggeven,
om anderen te laten leven.
Eet me maar op.
En wat ik jullie voordoe,
dat moet je me nadoen.
Weet wel, en vergeet het nooit:
als mensen zo doen,
zal er nieuws gebeuren,
zal er een nieuwe verbondenheid groeien…

H. Oosterhuis

Print Friendly, PDF & Email