In mijn werk als pastor heb ik regelmatig gebruik gemaakt van het Evangelie van Thomas. (in cursussen en vieringen). Vanuit het samen lezen en bespreken heb ik een moderne vertaling van dit evangelie gemaakt. Hopelijk inspireert deze werkvertaling u om dit prachtige evangelie te lezen. [Hier en daar geef ik in cursief schrift een korte toelichting. Gelukkig zijn er ook uitspraken die mysterieus blijven ].

Het evangelie van Thomas bestaat uit een verzameling van 114 spreuken die aan Jezus worden toegeschreven. Deze woorden van Jezus worden meestal genummerd.

Evangelie van Thomas

1

Dit zijn de geheime woorden die Jezus, de Levende, heeft gesproken en die opgeschreven zijn door Thomas, de tweelingbroer.
En hij zegt: iedereen die de diepere betekenis van deze woorden achterhaalt, zal de dood niet smaken.

2

Jezus zegt: Laat wie zoekt niet ophouden met zoeken totdat hij vindt. En wanneer hij gevonden heeft, zal hij zich verward voelen. En wanneer hij in verwarring is, zal hij zich verwonderen. Wanneer hij zich verwonderd heeft, zal hij koning zijn over heel het leven
en daarna zal hij rust vinden.

3

Jezus zegt: Als jullie leiders tegen jullie zeggen: “Zie, het rijk Gods is boven in de hemel” dan zullen de vogels jullie voor zijn. En als ze tegen jullie zeggen: “Het is onder in de zee”, dan zullen de vissen in de zee jullie voor zijn.
Maar het rijk Gods is binnen in jullie en het is buiten jullie. Iedereen die zichzelf kent, zal het vinden. En wanneer jullie jezelf kennen, zullen jullie beseffen, dat jullie kinderen zijn van de Levende Vader.
Maar als jullie jezelf niet kennen, dan leven jullie in armoede en zíjn jullie díe armoede.

4

Jezus zegt: Een oude van dagen zal niet aarzelen om een klein kind van zeven dagen te vragen naar de plaats van het Leven, en hij zál leven. Want vele eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten en zij zullen heel worden.

[Bij de joden is het voorschrift om een kind op de achtste dag te besnijden. Op de achtste dag wordt een mens dus ingeleid in de cultuur en samenleving, met al haar opvattingen, regels, instituties en wetten. Een kind van zeven staat nog geheel blanco in het leven: de onschuld zelve. Zo’n kind is heel en is nog niet bedorven door opvattingen en regels die ook misleidend kunnen zijn.]

5

Jezus zegt: Ken de persoon die voor jouw aangezicht staat, en wat voor je verborgen is,
zal je geopenbaard worden.

6

Zijn leerlingen ondervroegen hem en zeiden: Wilt u dat we vasten en hoe moeten wij bidden? Moeten we aalmoezen geven? Aan welke voedselvoorschriften moeten we ons houden?
Jezus sprak tot hen: Vertel geen leugens. En waar jullie zelf een hekel aan hebben, doe dat anderen niet aan, want alles wordt zichtbaar in het licht van de hemel. Wat je verbergt zal ontdekt worden en wat bedekt is, komt te voorschijn.

7

Jezus zegt: Gezegend is de leeuw die door een mens wordt opgegeten, want de leeuw zal mens worden. En vervloekt is de mens die door een leeuw wordt opgegeten want die mens zal een leeuw worden.

[Een gnostieke wijze van spreken. In gnostische kringen wordt met leeuw het zelfzuchtige ego bedoelt dat zich verliest in driften en consumptie. De ware mens heeft zijn zelfzucht overwonnen.]

8

En hij zegt: Lijkt de mens niet op een slimme visser, die zijn net wierp in de zee en het ophaalde uit de zee; het zat vol met kleine vissen uit de diepte. Tussen hen vond die slimme visser een grote, lekkere vis. Hij wierp alle kleine vissen terug in de zee en zonder aarzeling koos hij de grote vis uit. Wie oren heeft om te horen, die hore!

[Kerkvader Tertullianus schrijft: “Wij christenen zijn kleine vissen naar het voorbeeld van de grote vis (ICHTHYS) Jezus Christus, geboren in het water.”]

9

Jezus zegt: Ziet, de zaaier ging uit, hij vulde zijn hand met zaadkorrels en hij strooide die rond. Een deel viel op de weg; de vogels kwamen en pikten ze op. Een ander deel viel op rotsgrond en schoot geen wortel in de aarde en brachten geen vrucht voor. Weer een ander deel viel tussen de doornen; die verstikten het zaad en wormen aten het op. Nog een ander deel viel in vruchtbare aarde en dat bracht goede vrucht voort. De oogst bracht wel zestig en honderd twintig keer zoveel op.

10

Jezus zegt: Ik heb vuur geworpen op de wereld, en kijk. Ik waak er over het tot het oplaait.

11

Jezus zegt: Deze hemel zal voorbijgaan en ook de hemel die daarboven is, zal vergaan. Dan zullen zij die nu innerlijk dood zijn, niet tot leven komen. En zij die nu levend zijn, zullen dan ook niet sterven. In de dagen dat jullie de doodse leer verslonden, maakten jullie haar levend. Als jullie in het licht komen, wat doen jullie dan? In de tijd dat jullie in het paradijs een waren, zijn jullie tot twee geworden. Als jullie nu nog steeds twee bent, nou wat doen jullie daaraan?

[Deze uitspraak van Jezus valt misschien te begrijpen door hem te lezen tegen de achtergrond dat hij het dualistisch denken en leven wil doorbreken. In het paradijselijk leven is de mens nog heel. Door de cultuur raakt de mens verstrikt in het dualisme van de Griekse wereld. Het gaat er nu om dit dualisme te overwinnen en weer ‘heel’ te worden.]

12

Zijn leerlingen zeiden tot Jezus: Wij weten dat u heen zult gaan en ons zult verlaten. Wie moet er dan leider van ons worden?
Jezus sprak tot hen: Waar jullie ook terechtgekomen zijn, je moet altijd terugkeren naar Jacobus, de rechtvaardige; ter wille van hem zijn hemel en aarde gemaakt.

13

Jezus sprak tot zijn leerlingen: Vergelijk me eens met iemand en vertel mij op wie ik lijk. Simon Petrus zei tot hem: U lijkt op een rechtvaardige engel. Mattheus zei tot hem: U lijkt op een wijze filosoof. Thomas zei tot hem: Meester, mijn mond kan helemaal geen woorden vinden om te zeggen op wie U lijkt.
Jezus zei: Ik ben jouw meester niet, want jij hebt gedronken en bent dronken geworden van de opwellende bron die ik heb aangeboord. En hij nam hem terzijde en trok zich met hem terug, en sprak tot hem drie woorden.

Toen Thomas bij zijn vrienden terugkwam, vroegen zij hem: Wat heeft Jezus tegen jou gezegd? Thomas zei tot hen: Als ik jullie een van de woorden zou zeggen die hij tot mij gesproken heeft, zouden jullie stenen pakken en op mij werpen, en vuur zou uit de stenen komen en jullie verbranden.

14

Jezus sprak tot hen: Als jullie vasten, zullen jullie je bezondigen. Als jullie bidden, zullen jullie veroordeeld worden. En als jullie aalmoezen uitdelen, zullen jullie je geest schade doen. Als jullie naar een of ander land gaan en daar rondtrekken door die streken en jullie worden ergens ontvangen, eet dan wat zij jullie voorzetten en verzorg de zieken onder hen. Want wat jullie mond binnengaat zal jullie niet onrein maken, maar wat uit jullie mond komt,
dat kan jullie onrein maken.

15

Jezus zegt: Wanneer jullie hem zien, die niet uit een getrouwde vrouw is geboren, moeten jullie je aangezicht ter aarde werpen en hem aanbidden; hij is jullie Vader.

16

Jezus zegt: Misschien denken de mensen dat ik gekomen ben om vrede op de wereld te brengen en weten zij niet dat ik gekomen ben om verdeeldheid op aarde te brengen: vuur, zwaard en oorlog. Want waar er vijf zijn in een huis, daar zullen er drie tegen twee zijn en twee tegen drie. De vader tegen de zoon, de zoon tegen de vader. En zij zullen apart leven: geheeld.

17

Jezus zegt:
Ik zal u geven wat geen oog heeft gezien en wat geen oor heeft gehoord en wat geen hand heeft aangeraakt en in geen mensenhart niet is opgekomen.

18

De leerlingen vroegen Jezus: Zeg ons toch, hoe ons einde zal zijn?
Jezus sprak: Hebben jullie dan het begin al ontdekt, zodat je nu ook het einde wilt weten? Welnu, waar het begin is, daar zal ook het einde zijn. Gezegend is hij die al in het begin bestond: hij zal het einde kennen en hij zal de dood niet smaken.

[In de joodse cultuur uit de tijd van Jezus speelde de eindtijd een belangrijke rol. Was de eindtijd nabij? Jezus speelt hier met deze gedachte. Jezus leert ons dat de mens moet terugkeren naar zijn oorspronkelijke staat. De mens moet zich niet druk maken over een leven na de biologische dood, zegt Jezus. Een mens moet zich veel meer bekommeren om aan dit leven hier en nu een optimale vervulling te geven.]

19

Jezus zegt:
Gezegend is hij, die er al was, voor hij geboren werd. Als jullie mijn leerlingen worden en naar mijn woorden luisteren, zullen de stenen jullie dienstbaar zijn. Want jullie hebben de beschikking over de vijf bomen in het paradijs, die in de zomer en winter niet veranderen en waarvan de bladeren niet afvallen. Wie hen leert kennen, zal de dood niet smaken.

[In de gnostiek wordt een geestelijke uitleg gegeven aan de vijf bomen van het paradijs: geestelijk oog, geestelijk oor, geestelijke tastzin, geestelijke smaak en geestelijke speurzin.]

20

De leerlingen zeiden tot Jezus: Vertel ons eens, waar het rijk Gods op lijkt.
Hij sprak tot hen: Het is als een mosterdzaadje. Dat is kleiner dan alle zaden. Maar wanneer het valt op bewerkte aarde, groeit er een grote plant uit die beschutting biedt aan de vogels van de hemel.

21

Maria Magdalena zei tegen Jezus: Op wie lijken jouw leerlingen?
Hij sprak tegen haar: Het zijn net kleine jongens die rondhangen op een stuk land dat niet van hen is. Als de eigenaars van het land komen, zullen die zeggen: “Weg van ons land!”. Dan trekken de jongens hun kleren uit waar de eigenaars bij staan om maar zo gauw mogelijk van hun land af te kunnen en voor hen plaats te maken.

Daarom zeg ik dit: Als de eigenaar van een huis weet dat er een dief op komst is, dan zal hij wakker blijven en hij zal niet toestaan dat die zal inbreken in zijn huis om zijn bezit te stelen. Daarom moeten jullie waakzaam zijn wat de wereld betreft. Bescherm jezelf met grote kracht, dan hebben rovers geen mogelijkheid om bij jullie binnen te dringen en de schat die je bewaakt, te vinden.

Moge er onder jullie iemand zijn die dit goed begrijpt: als het graan gerijpt is, komt hij meteen met zijn sikkel in zijn hand en oogst het. Wie oren heeft om te horen, die hore!

22

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden. Hij sprak tot zijn leerlingen: Zij die het rijk Gods binnengaan, lijken op deze zuigelingen.
Zij vroegen hem: Moeten wij dan als deze kinderen worden om te kunnen binnengaan in het rijk Gods?

Toen sprak Jezus tot hen: Als jullie van twee één maken, als jullie de binnenkant maken als de buitenkant en de buitenkant als de binnenkant, en het bovenste als het onderste, als jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken, zodat het mannelijke niet meer mannelijk is
en het vrouwelijke niet vrouwelijk, als jullie het fysieke kijken vervangen door een innerlijk zien, als jullie lichamelijke hand vervangen door een geestelijke tastzin, als jullie je loopbaan vervangen door een levensweg, en jullie uiterlijke verschijning vervangen door het beeld van God in de ziel, dan zullen jullie binnengaan in het rijk Gods.

[Dit is misschien wel de beroemdste uitspraak uit het evangelie van Thomas. Je kunt het lezen als een duidelijke oproep tegen elke vorm van dualisme.]

23

Jezus zegt: Ik zal jullie uitkiezen, één uit duizend en twee uit tienduizend
en zij zullen bestaan als mensen die geheeld zijn.

24

Zijn leerlingen zeiden tegen hem: Leid ons naar de plaats waar u bent, want wij zijn nog niet zover.
Hij antwoordde hen: Wie oren heeft, die hore! Er is licht in het binnenste van een verlicht mens en zo iemand verlicht de hele wereld. Als een mens geen licht uitstraalt, is hij duisternis.

25

Jezus zegt: Heb je broeder lief als je ziel, behoed hem als je oogappel.

26

Jezus zegt: De splinter in het oog van je broeder zie je wel, maar de balk in je eigen oog zie je niet. Wanneer je de balk uit je eigen oog verwijdert, dan zal je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder te halen.

27

Jezus zegt: Als jullie niet vasten ten opzichte van de wereld, zullen jullie het rijk Gods niet vinden. Als jullie de sabbat niet als een sabbat in acht nemen, zullen jullie nooit de Vader zien.

28

Jezus zegt: Ik ben midden in de wereld gaan staan en ik ben aan hen verschenen in levende lijve; ik vond hen allen dronken en niemand van hen was dorstig! En van binnen was ik bedroefd om de mensenkinderen, omdat zij blind zijn in hun hart en niet zien, want leeg kwamen zij ter wereld en even leeg proberen zij de wereld weer te verlaten. Nu zijn zij dronken en pas als ze hun wijn verwerpen, zullen zij zich toch nog bekeren en veranderen.

29

Jezus zegt: Als het lichaam ontstond omwille van de geest, dan is dat een wonder. En als de geest ontstond omwille van het lichaam, is dat een wonder boven wonder. Maar ik vraag me met verwondering af, hoe deze grote rijkdom kan inwonen in deze armoede.

30

Jezus zegt: Waar we over drie Goden spreken, zijn ze Goden. Waar we over twee goden spreken, daar ben ik met hem.

[Wanneer de joden Jezus hoorden spreken over “zijn vader”, was het duidelijk dat hij JHWH bedoelde. Maar zichzelf de zoon van JHWH noemen kon niet. Dit was godslastering ! Geen mens mocht zich immers beroepen op een directe goddelijke afkomst. Hierover werden felle discussie met Jezus gevoerd. Jezus benadrukt hier hoe hij zich verbonden weet met de goddelijke Liefde.]

31

Jezus zegt: Een profeet wordt niet geëerd in zijn eigen dorp, een arts behandelt niet mensen die hem goed kennen.

32

Jezus zegt: Een stad, die gebouwd is op de top van een hoge berg en versterkt is, kan niet vallen en ook niet verborgen blijven.

33

Jezus zegt: Roep vanaf de daken van jullie huizen, wat jullie oren gehoord hebben. Want niemand steekt een lamp aan en zet deze onder een korenmaat. En hij zet deze ook niet op een geheime plaats, maar hij zet haar boven op een kandelaar, zodat een ieder die binnen komt of naar buiten gaat haar licht zal zien.

34

Jezus zegt: Als een blinde een blinde geleidt, vallen ze beiden in een put.

35
Jezus zegt: Niemand is in staat om het huis van een sterke binnen te dringen en te overmeesteren, tenzij hij diens handen vastbindt. Pas dan kan hij het huis leeg halen.

36

Jezus zegt: Maak jullie geen zorgen van de ochtend tot de avond en van de avond tot de ochtend over jullie voedsel, over wat jullie zullen eten. En ook niet over jullie kleding, over wat jullie zullen aantrekken. Jullie staan ver boven de leliën van het veld die niet karen of spinnen. Als jullie één hemd bezitten, wat hebben jullie dan verder nog nodig? Wie kan iets aan zijn levensduur verlengen? God zelf zal jullie je kleding geven.

37

Zijn leerlingen vroegen hem: Wanneer zult u aan ons geopenbaard worden? Wanneer zullen wij u zien?
Hij sprak: Als jullie je kleren uitdoen zonder je te schamen en jullie je kleren oppakken en op de grond onder je voeten legt zoals kleine kinderen, en ze vertrapt, dan zullen jullie de Zoon van de Levende God aanschouwen en zullen jullie niet bang meer zijn.

[Waarschijnlijk verwijst dit logion naar het dopen van christenen. In die tijd deden volwassenen hun kleed af om gedoopt te worden en daalden zij af in de in het levend stromend water van de doopvont. Daarna vertrapten zij een op de grond uitgespreide dierenhuid; symbolisch voor het oude leven dat ze afgelegd hadden. De christen kan op God vertrouwen en hoeft niet bang meer te zijn.]

38

Jezus zegt: Vaak heb jullie er naar verlangd deze woorden te horen die ik tot jullie spreek. En jullie hebben niemand anders van wie je ze kunt horen; er zullen dagen komen dat jullie naar mij zullen zoeken zonder mij te vinden.

39

Jezus zegt: De Farizeeën en de schriftgeleerden hebben de sleutels van de Gnosis ontvangen en ze hebben die verborgen. Zelf zijn zij niet naar binnen gegaan en hen die wel naar binnen wilden gaan, lieten zij niet toe. Maar jullie moeten sluw zijn als slangen en zuiver als duiven.

40

Jezus zegt: Een wijnrank die geplant is buiten de Vader en die niet vaststaat, zal met wortel en al worden uitgerukt en vernietigd.

41

Jezus zegt: Wie in zijn hand heeft, aan hem zal gegeven worden. En wie niet heeft, zal het weinige dat hij heeft ontnomen worden.

[Wat heb je in je hand en niet in je buidel? Iets om te geven, een gave of een aalmoes! Met andere woorden wie altijd een gave bij zich heeft om te geven, die wordt beloond: God zal hem nog meer geven. En wie zich vastklampt aan het weinige wat hij heeft, zal het nog verliezen, want God zal hem het afnemen.

42

Jezus zegt: Wees voorbijgangers.

[Christenen werden in de eerste eeuwen ‘Mensen van de weg’ genoemd. Op de moskee van de oude stad Fateh pur Sali, bij Dehli in India, staat geschreven: Jezus – vrede ruste op hem – heeft gezegd de wereld is een brug, ga erover heen, maar bouw er uw woning niet op.]

43

Zijn leerlingen vroegen Jezus: Wie bent U, dat u al deze dingen tegen ons kunt zeggen?
Jezus antwoordde hun: Kunnen jullie uit mijn woorden niet opmaken, wie ik ben? Dan zijn jullie als die joden, die wel een boom goed vinden maar walgen van de vruchten. Of omgekeerd wel van de vruchten houden, maar de boom verachten.

44

Jezus zegt: Wie de vader lastert, het zal hem vergeven worden. En wie de zoon lastert, het zal hem vergeven worden. Maar wie de heilige geest lastert, het zal hem niet vergeven worden, niet op aarde, niet in de hemel.

45

Jezus zegt: Men plukt geen druiven van doornen en verzamelt geen vijgen van distels, want die dragen geen vrucht. Een goed mens brengt uit zijn schatkamer het goede voort . Een slecht mens brengt uit zijn schatkamer – die in zijn hart is – het slechte voort en hij spreekt kwaad. Want omdat zijn art er vol van is, brengt hij daaruit het kwaad voort.

46

Jezus zegt: Van Adam tot Johannes de Doper is er onder hen die geboren zijn uit een vrouw, niemand die boven Johannes de Doper staat. Je hoeft dus tegen niemand op te zien. Maar ik heb u gezegd: wie van jullie wordt als een kind, zal het koninkrijk kennen, en hij zal boven Johannes staan.

47

Jezus zegt: Men kan geen twee paarden tegelijk berijden en ook niet tegelijk twee bogen spannen. En een knecht kan geen twee heren dienen, want anders eert hij de één en veracht de ander. Niemand drinkt eerst oude wijn en verlangt daarna naar nieuwe wijn. Jonge wijn giet je nietin oude zakken, want dan barsten ze. Ook doe je geen oude wijn in een nieuwe zak, want dan bederft die wijn. Een oude lap naai je niet op een nieuw kleed,
want dat staat niet en je naait ook geen nieuwe lap op een oud kleed, want dan gaat die scheuren.

48

Jezus zegt: Als twee mensen binnen één huis in vrede met elkaar leven, kunnen zij tegen een berg zeggen ‘Opzij!’ en hij gaat opzij.

49

Jezus zegt: Gezegend zijn jullie, geheelde mensen en uitverkorenen, want jullie zullen het koninkrijk vinden, want daar komen jullie vandaan en daar keren jullie maar terug.

50

Jezus zegt: Als ze jullie vragen “Waar komen jullie vandaan?” geef ze dan als antwoord:
Wij komen uit het licht, van de plaats waar het licht ontstaat en bestaat en zich in onze evenbeelden openbaart. Als ze jullie vragen “Wie zijn jullie?” antwoordt dan: Wij zijn de kinderen van het licht, wij zijn de uitverkorenen van de levende Vader. Als ze jullie vragen “Wat is het teken, dat jullie vader in jullie is?” zeg dan: Het is beweging en rust.

51

Zijn leerlingen vroegen hem: Wanneer zullen de doden tot rust komen en wanneer zal de nieuwe wereld komen?
Hij antwoordde hun: Wat jullie verwachten, is al gekomen, maar jullie herkennen het niet.

52

Zijn leerlingen zeiden hem: Vierentwintig profeten hebben in Israël gesproken, en allen hebben zij over u gesproken.
Hij zei tegen hen: Jullie gaan voorbij aan de Levende die voor jullie staat, en jullie spreken over de doden.

53

Zijn leerlingen vroegen hem: Is de besnijdenis nuttig of niet?
Hij antwoordde hun: Als die werkelijk nut zou hebben, zou hun Vader hen besneden geboren laten worden uit hun moeder. Maar de ware besnijdenis is geestelijk en die is alleszins nuttig.

54

Jezus zegt: Gezegend zijn de armen, want van jullie is het Rijk Gods.

55

Jezus zegt: Wie geen afstand neemt van zijn vader en zijn moeder, kan geen leerling van mij worden. En wie geen afstand neemt van zijn broers en zijn zusters en zijn kruis niet opneemt zoals ik, hoort niet bij mij.

56

Jezus zegt: Wie de wereld heeft leren kennen heeft een lijk gevonden. En wie een lijk heeft gevonden, zal de wereld waardeloos vinden.

[Christenen zeggen dat zij wel in de wereld zijn, maar niet van de wereld. Met andere woorden: de normen en waarden waarmee christenen willen samenleven zijn anders dan die welke in de wereld gangbaar zijn.]

57

Jezus zegt: Het koninkrijk van de Vader lijkt op een man die goed zaaigoed bezat. Zijn vijand kwam in de nacht en zaaide onkruid tussen het goede zaad. De man stond het niet toe het onkruid uit te trekken. Hij zei tegen hen: Anders zeggen jullie nog “We gaan het onkruid uittrekken” en dan trekken jullie de tarwe er tegelijk mee uit. Want weet je, pas op de dag van de oogst, zal het onkruid de dolik duidelijk herkenbaar zijn. Dan kan het uitgetrokken worden en verbrand.

58

Jezus zegt: Gezegend is de mens die heeft geleden; die heeft het leven gevonden.

59

Jezus zegt: Kijk uit naar de Levende, zolang als jullie leven, anders gaan jullie dood. En als jullie hem dan pas proberen te zien, zullen jullie niet meer in staat zijn om hem te zien.

60

De leerlingen zagen een Samaritaan die op weg was naar Judea en deze droeg een lam. Hij vroeg aan zijn leerlingen: Wat moet die man met dat lam? Zij antwoordden hem: Hij gaat het slachten en opeten.
Hij sprakt tot hen: Zolang het leeft, kan hij het niet opeten, maar pas als hij het geslacht heeft en het een kadaver geworden is.
Zij zeiden: Dat kan toch niet anders? Hij sprak tot hen: Denk erom dat jullie voor jezelf een plaats van vrede zoeken, anders worden jullie ook een lijk en worden jullie opgegeten.

61
Jezus zegt: Er zullen twee mensen rusten op een bed: de ene zal sterven, de andere leven. Maar Salomé zei: Man, wie bent u wel? Van wie bent u een zoon, dat u durft te gaan zitten op mijn bed en te eten van mijn tafel?
Jezus sprak tegen haar: Ik ben een zoon van hem, die mijn gelijke is. Wat van mijn Vader is, is aan mij gegeven.
Toen sprak Salomé: Dan wil ik uw leerling zijn. Daarop antwoordde Jezus: Dan zeg ik u dit: als een leerling of leerlinge aan mij gelijk is geworden, is hij vervuld van licht; als hij nog verdeeld is, is hij duisternis.

62
Jezus zegt: Ik vertel mijn geheimen alleen aan wie open staan voor mijn geheimen.Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet.

63

Jezus zegt: Er was eens een rijke man die veel geld had. Hij dacht: ik zal mijn geld beleggen,
dan kan ik zaaien, oogsten en planten en mijn schuren vullen met de opbrengst, zodat ik nooit meer gebrek kan lijden. Dat dacht hij in zijn binnenste. Maar diezelfde nacht ging hij dood. Wie oren heeft, die hore!

64

Jezus zegt: Een man zou eens gasten ontvangen. En toen hij het eten klaargemaakt had, stuurde hij zijn knecht uit om de gasten op te halen. Deze ging naar één toe en zei tegen hem: Mijn heer nodigt u uit. Maar hij antwoordde: Ik heb nog een zaak af te handelen met kooplieden. Die komen vanavond naar mij toe. Ik moet nog afspraken met hen maken. Neem mij niet kwalijk dat ik niet bij de maaltijd aanwezig kan zijn.

Hij ging naar een ander toe en zei tegen hem: Mijn heer nodigt u uit. En deze antwoordde: Ik heb net een huis gekocht en ze hebben me daar nodig. Ik heb geen tijd. Hij ging naar nog een ander en zei: Mijn heer nodigt u uit. Die antwoordde: Mijn vriend gaat net trouwen en ik moet het bruiloftsmaal verzorgen. Ik kan niet komen. Neem me niet kwalijk dat ik er niet bij kan zijn. Hij ging naar weer een ander en zei: Mijn heer nodigt u uit. Deze antwoordde hem: Ik heb onlangs een boerderij gekocht en ik was net van plan om de pacht op te halen. Ik kan niet komen. Neem mij niet kwalijk.

De knecht kwam terug en zei tegen zijn meester: De mensen die u hebt uitgenodigd voor het eten hebben zich allemaal verontschuldigd. Toen zei de heer tegen zijn knecht: Ga naar buiten, de straten op, en breng iedereen die je tegenkomt mee voor het eten. Zakenlui en kooplieden zullen de vertrekken van mijn Vader niet binnengaan.

65

Jezus zegt: Een goed mens bezat een wijngaard. Hij verhuurde die aan pachters om te bewerken en om van hen dan de opbrengst te ontvangen. Hij stuurde zijn knecht naar de pachters om van hen de pacht van de wijngaard te innen. Die grepen zijn knecht en zij sloegen hem. Het scheelde niet veel of zij hadden hem vermoord. De knecht kwam terug en vertelde het zijn eigenaar.

De eigenaar zei: Misschien hebben zij hem niet herkend. Toen stuurde hij een andere knecht. De pachters sloegen ook die ander. Toen stuurde de eigenaar zijn zoon. Hij dacht: misschien zullen ze mijn zoon eerbiedigen. Toen de pachters door kregen dat hij de erfgenaam van de wijngaard was, grepen ze hem en vermoorden hem. Wie oren heeft, die hore!

66

Jezus zegt: Geef mij eens uitleg over de steen die de bouwmeesters afgekeurd hebben en die de hoeksteen is geworden.

67

Jezus zegt: Wie alles weet, maar niet zichzelf kent, weet niets.

68

Jezus zegt: Gezegend zijn jullie wanneer zij jullie haten en jullie vervolgen. Jullie zullen een plaats vinden, waar zij jullie niet vervolgen.

69

Jezus zegt: Gezegend in hun hart zijn zij die vervolgd worden. Zij zijn het die werkelijk de Vader kennen. Gezegend zijn ook zij die hongeren want zij zullen hun maag vullen met wat zij begeren.

70

Jezus zegt: Als jullie voortbrengen wat jullie in je hebt, zal wat jullie in je hebben je redden. Als jullie er niet mee voor de dag komen, zal het jullie doden.

71

Jezus zegt: Ik zal dit bouwwerk verwoesten en geen mens zal het ooit weer kunnen opbouwen.

[Met dit bouwwerk wordt niet ‘het’ joodse geloof bedoeld. Jezus wilde zeker niet de thora afschaffen. Integendeel hij was voortdurend op zoek naar ‘het hart’ van de joodse wet. Als jood voelde hij zich thuis binnen een bepaalde stroming van het jodendom. Het ging hem erom om de thora te vervolmaken. Hij bekritiseerde wel scherp bepaalde formalistische opvattingen binnen het joodse geloof. Hij verzette zich ook tegen de commercie van de offercultus van de Tempel.]

72

Iemand zei tegen hem: Wilt u eens tegen mijn broers zeggen, dat zij de erfenis van mijn vader met mij moeten delen.
Hij sprak tot hem: Man, wie heeft mij tot verdeler gemaakt? Hij wendde zich tot zijn leerlingen en zei: Ik ben toch geen brenger van verdeeldheid?

73

Jezus zegt: De oogst op het korenveld is wel rijk, maar er zijn te weinig arbeiders. Bidt de Heer dat hij meer arbeiders stuurt om het rijpe graan binnen te halen.

74

Jezus zegt: O Heer, er staan velen rond de put, maar niemand daalt af in de put.

[Misschien is er iemand in een put gevallen die er niet uit kan. Ook in de tijd van Jezus had je dus al veel mensen die naar een ongeluk kwamen kijken en geen hand uitstaken. Misschien verwijst het naar de discussie over de sabbatvoorschriften. Volgens bepaalde Farizeeën mocht je op sabbat zelfs geen koe uit de sloot halen.]

75

Jezus zegt: Velen staan voor de deur, maar het zijn de geheelde mensen die het bruidsvertrek zullen binnengaan.

76

Jezus zegt: Het rijk van de Vader lijkt op een koopman die een vracht goederen aangeleverd kreeg en daartussen een parel vond. De koopman was heel verstandig. Hij verkocht zijn hele voorraad en hij kocht voor zichzelf die éne parel. Zo moeten jullie ook zoeken naar de schat die niet vergaat en een blijvende waarde heeft, waar de mot niet bij komt om hen op te eten en die geen worm kan bederven.

77

Jezus zegt: Ik ben het Licht dat allen te boven gaat. Ik ben het Al. Uit mij is het Al ontstaan en het Al is op mij gericht. Klief een blok hout en daar ben ik, til een steen op en daar zul je mij vinden.

78

Jezus zegt: Waarom zijn jullie naar het veld gekomen? Om daar riet te zien dat met de wind heen en weer gaat? Om een man te zien die chique kleren draagt, zoals jullie koningen en machthebbers? Die zijn het die chique kleren dragen, maar de waarheid kennen zij niet.

79

Een vrouw uit de menigte zei hem: Gezegend is de schoot die u gedragen heeft, en de borsten die u gevoed hebben.
Hij zei tot haar: Gezegend zij die het woord van de Vader horen en er waarachtig aan vasthouden. Want er zullen dagen komen dat jullie zullen zeggen: Gezegend de schoot die niet heeft gedragen, en de borsten die geen melk hebben gegeven.

80

Jezus zegt: Wie de wereld kent, beheerst zijn lichaam, en wie het lichaam beheerst, gaat de wereld te boven.

81

Jezus zegt: Laat wie rijk geworden is, als koning heersen en laat wie vermogen bezit,  daarvan afstand doen.

82

Jezus zegt: Wie mij nabij is, zit dicht bij het vuur, en wie ver van mij verwijderd is, is ver van het Rijk Gods.

83

Jezus zegt: De beelden van de mensen kunnen zichtbaar worden, maar het licht dat in hen is, is verborgen in het beeld van het licht van de Vader. Hij zal geopenbaard worden, maar zijn beeld is verborgen door zijn licht.

[Uitspraken 83 en 84 horen bij elkaar. Het gaat hier waarschijnlijk om de beelden die mensen over zichzelf hebben, die vaak anders zijn dan wat men in werkelijkheid is. Het blijven twee moeilijk te begrijpen uitspraken van Jezus.]

84

Jezus zegt: Als jullie je beeld zien, scheppen jullie daar behagen in. Maar als jullie je oorspronkelijk gelaat zien dat al lang bestond voor jullie geboren waren, dat niet sterft en nu nog niet zichtbaar is, hoeveel kunnen jullie dan verdragen?

85

Jezus zegt: De eerste mens is geschapen met grote macht en grote rijkdom, en toch kon hij jullie niet evenaren. Want als hij jullie had geëvenaard, zou hij de dood niet hebben gesmaakt.

86

Jezus zegt: De vossen hebben hun holen en de vogels hun nesten, maar een mens als ik heeft niet een plaats om zijn hoofd neer te leggen en te rusten.

[Een mens als ik, letterlijk staat er ‘de Mensenzoon’. Dat is de titel die Jezus zichzelf geeft. Het is een eeuwig misverstand onder veel christenen dat Jezus hiermee zichzelf tot unieke zoon van God zou hebben benoemd. Mensenzoon is in de taal van Jezus synoniem voor: iedere mens die een kind van God is.]

87

Jezus zegt: Miserabel is het lichaam, dat slaaf is van een ander lichaam en miserabel is de ziel die slaaf is van beiden.

88

Jezus zegt: De zendelingen en de profeten zullen naar jullie komen en jullie geven wat jullie nodig hebben. En jullie van jullie kant, geef hun wat jullie in je hand hebt en zeg tot jezelf: wanneer zullen ze komen en zullen ze nemen wat hun toekomt?

[Een praktische raad voor de gemeenschappen van de eerste christenen. De zwervende profeten en zendelingen moeten onderhouden worden: ontvang ze gastvrij. Wat je in je handen hebt is de gave die je aan een ander geeft.]

89

Jezus zegt: Waarom wassen jullie de buitenkant van de beker schoon? Beseffen jullie dan niet dat de pottenbakker die de binnenkant heeft gemaakt ook de buitenkant heeft gemaakt?

[Een populaire discussie in Jezus’ tijd: wanneer is een beker gereinigd en kosjer? Sommige wetgeleerden vonden dat je alleen de buitenkant hoefde te wassen. Jezus gaat tegen deze ingewikkelde opvattingen in. Tegelijk maakt hij er een symbolische vergelijking van. Het gaat om het binnenste van een mens, niet hoe de buitenkant is.]

90

Jezus zegt: Kom tot mij, want mijn juk is licht en mijn meesterschap is zacht, en jullie zullen rust vinden voor jezelf.

91

Zij zeiden tot hem: Vertel ons toch wie u bent, dan kunnen wij in u geloven.
Hij antwoordde: Jullie bezitten kennis over de tekenen van hemel en aarde, maar hem die voor jullie staat, herkennen jullie niet en jullie weten ook niet hoe jullie dit moment moeten duiden.

92

Jezus zegt: Zoek en je zult vinden. Maar wat jullie mij eerder hebben gevraagd, heb ik jullie toen niet gezegd. Nu verlang ik ernaar om het te vertellen maar jullie vragen er niet naar.

93

Jezus zegt: Geef het heilige niet aan de honden, anders gooien ze dat nog op de mesthoop;
werp geen parels voor de zwijnen, anders vertrappen ze het met hun poten.

[Met het ‘heilige’ wordt het gewijde offervlees uit de tempel bedoeld, dat niet aan onreine dieren zoals honden mag worden gegeven.]

94

Jezus zegt: Wie zoekt zal vinden, voor wie klopt zal opengedaan worden.

95

Jezus zegt: Als jullie geld hebben, mogen jullie dat niet met rente uitlenen, maar schenk het aan mensen van wie jullie het nooit zullen terugkrijgen.

96

Jezus zegt: Het rijk van de vader lijkt op een vrouw, die een heel klein beetje zuurdesem pakte, het in deeg stopte en er zo grote broden van bakte. Wie oren heeft, die hore!

97

Jezus zegt: Het rijk van de vader lijkt op een vrouw, die een kruik vol meel draagt. En onderweg, nog ver van huis, brak een oor van de kruik af. Het meel stroomde achter haar op de weg. Ze merkte het niet en was zich van geen kwaad bewust. Toen zij haar huis bereikte, zette zij de kruik neer. Toen merkte zij pas, dat die leeg was.

98

Jezus zegt: Het rijk van de vader lijkt op een man die een tiran wil doden. Toen hij nog thuis was, trok hij zijn zwaard en stak het in de lemen wand van het huis om te zien of zijn hand sterk genoeg was. En daarna vermoordde hij de tiran.

99

De leerlingen zeiden hem: Uw broers en uw moeder staan buiten.
Hij antwoordde hun: De mensen hier, die de wil van mijn Vader doen, dat zijn mijn broers en mijn moeder. Zij zijn het die het rijk van mijn Vader zullen binnengaan.

100

Zij toonden Jezus een goudstuk en zeiden hem: De mannen van Caesar eisen belastingen van ons.
Hij zei hun: Geef aan de keizer wat van de keizer is, geef aan God wat van God is, en wat van mij is, geef het aan mij.

101

Jezus zegt: Wie geen afstand neemt van zijn vader en zijn moeder, zoals ik, kan geen leerling van mij worden. En wie zijn vader en moeder niet zal liefhebben, zoals ik, kan geen leerling van mij worden. Want mijn natuurlijke moeder schonk mij de dood, maar mijn ware Moeder schonk mij het leven.

102

Jezus zegt: Wee, die Farizeeën, zij lijken wel een hond die ligt te slapen in de voerbak van de ossen; zelf eet hij niet en hij laat ook de ossen niet eten.

103

Jezus zegt: Gelukkig is de mens die weet aan welke kant de dieven zullen binnenkomen. Dan kan hij op tijd opstaan en zijn familie en knechten verzamelen, en zich bewapenen nog vóór ze inbreken.

104

Zij spraken tot Jezus: Kom, laten we vandaag bidden en vasten.
Jezus antwoordde: Wat is dan wel de zonde die ik begaan heb, en waarin schoot ik tekort? Nee hoor, pas wanneer de bruidegom de kamer van de bruid verlaten heeft, laten ze dan maar vasten en bidden.

105

Jezus zegt: Wie de vader en de moeder kent, zal een hoerenjong genoemd worden.

106

Jezus zegt: Wanneer jullie de twee één maakt, zullen jullie Mensenzonen worden, en als jullie dan zeggen: Berg, ga opzij, dan gaat hij opzij.

107

Jezus zegt: Het koninkrijk lijkt op een herder die honderd schapen hoedde. Een ervan, de grootste, verdwaalde. Hij liet de negenennegentig achter en ging op zoek naar dat éne schaap, tot hij het vond. En nadat hij zich al die moeite had getroost zei hij tegen het schaap: Ik houd meer van je dan van die andere negenennegentig.

[Deze versie van de parabel van het verloren schaap verschilt op een belangrijk onderdeel van de tekst uit Lucas (15,3-6). Bij Lucas wordt het schaap teruggebracht naar de kudde, in het evangelie van Thomas wordt enkel het schaap gevonden.]

108

Jezus zegt: Wie uit mijn mond drinkt zal worden als ik en ik zal worden als hij; en wat verborgen is zal hem geopenbaard worden.

109

Jezus zegt: Het koninkrijk is als een mens die een akker had, waar een schat in verborgen zat zonder dat hij dat wist. Toen hij stierf, liet hij deze na aan zijn zoon. De zoon wist ook niets van die schat. Hij erfde de akker en verkocht hem. En wie de akker gekocht had, ging ploegen en vond de schat. Hij begon geld uit te lenen tegen rente aan wie hij maar wilde.

110

Jezus zegt:
Wie de wereld gevonden heeft en rijk is geworden, moet afzien van de wereld .

111

Jezus zegt: Als hemel en aarde vergaan en jullie zijn daar bij, dan zal wie leeft uit de Levende niet sterven en die hoeft ook niet bang te zijn.
Want Jezus zegt: Wie zichzelf vindt, staat boven de wereld.

112

Jezus zegt: Wee het lichaam dat afhankelijk is van de ziel; wee de ziel die afhankelijk is van het lichaam.

113

Zijn leerlingen vroegen hem: Wanneer zal het koninkrijk komen?
Jezus zei: De komst van het koninkrijk is niet in de toekomst te verwachten. Je kunt niet zeggen: ‘kijk, het is hier’ of ‘kijk, het is daar’. Nee, het koninkrijk bestaat al uitgebreid op aarde en de mensen zien het niet.

114

Simon Petrus zei tegen hem: Laat Maria Magdalena van ons weggaan, want vrouwen zijn het Leven niet waardig.
Toen sprak Jezus: Let goed op wat ik u zeg. ik zal haar leiden om haar mannelijk te maken
dat ook zij een levende Geest wordt die op jullie mannen lijkt. Want elke vrouw die zichzelf mannelijk maakt, kan het Koninkrijk binnengaan.

© Vertaling Adrie Lint

 

 

Korte toelichting

Voor deze werkvertaling heb gebruik gemaakt van een wetenschappelijke Engelse vertaling van de Koptische grondtekst, met verdere hulp van de Nederlandse vertalingen van Gilles Quispel en Riemer Roukema. En natuurlijk van de ervaringen uit de vele geloofsgesprekken rond dit evangelie.

De bijna volledige tekst van het evangelie werd in 1945 door twee boeren bij Nag Hammadi in Boven-Egypte gevonden in een kruik, tezamen met een aantal andere koptische geschriften. Het gevonden manuscript is uit de vierde eeuw. Waarschijnlijk gaat het om een Koptische vertaling van een Griekse tekst. Een aantal fragmenten van het evangelie zijn al eerder gevonden, ook in Egypte rond 1900.

Over de datering van het Thomas evangelie verschillen wetenschappers van mening. Er zijn grofweg twee kampen. Het eerste kamp dateert het boek rond het jaar 50. Daarmede is het evangelie van Thomas de oudst bewaarde bron van de christen-beweging die bewaard is gebleven. De tweede en grootste groep wetenschappers gaat ervan uit dat het rond het jaar 140 na Chr. geschreven is in Edessa, een Griekse handelsstad in Mesopotamië. Hoe vroeg het evangelie ook gedateerd wordt, feit blijft dat het een van de oudste christelijke bronnen is.

Volgens prof Gilles Quispel, die meer dan vijftig jaar het evangelie van Thomas heeft bestudeerd, berust het evangelie op twee verloren geschriften: een Judese bron, die rond 40 na Christus is opgeschreven binnen de oergemeente van Jeruzalem, en een Alexandrijnse bron die meer ascetisch en filosofisch van aard is. Het evangelie is dus een combinatie van Judese bronnen die een meer landelijke en joodse context hebben en van de cultuur van een grote wereldstad, Edessa in Mesopotamië.

In de traditie wordt het evangelie toegeschreven aan de apostel Thomas. Natuurlijk is dat niet onmogelijk, maar het is niet erg waarschijnlijk wanneer het geschrift in 140 na Chr. gedateerd wordt.

De kerk heeft het evangelie van Thomas niet opgenomen in haar canon omdat het bestempeld werd als een gnostiek geschrift. In de geschiedenis werd het evangelie altijd verbonden aan gnostieke groeperingen en ketters. Wanneer je echter met een open geest het evangelie leest wordt het steeds minder duidelijk dat het hier om een gnostiek geschrift gaat. Er wordt ook veel kritiek gegeven op gnostische ideeën. Zeker komen in het geschrift veel gnostische opvattingen aan de orde.

Verder lezen

Er zijn diverse Nederlandse vertalingen van het evangelie van Thomas. Niet elke vertaling blijft dicht bij de tekst. Persoonlijk waardeer ik de volgende twee vertalingen.
– Gilles Quispel, Het Evangelie van Thomas. Uit het Koptisch vertaald en toegelicht. In de Pelikaan, Amsterdam 2004. 380 Blz.
– Riemer Roukema, Het evangelie van Thomas. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Meinema, Zoetermeer 2005. 96 Blz.

 

 

Print Friendly, PDF & Email